ANBF - Association des néerlandistes de Belgique francophone et de France

Website over het Nederlands in het onderwijs in Franstalig België en in Frankrijk.

 
» Activiteiten van de ANBF » Oude activiteiten » Onderzoeksmarkt 2001
 
Activiteiten van de ANBF

 

Onderzoeksmarkt 2001

 

Aankondigingen ANBF

ANBF-onderzoeksmarkt Opstelwedstrijd Op 8 december 2001 organiseert de ANBF aan de Ecole d’Interprètes Internationaux van Mons haar tweede ‘Onderzoeksmarkt’: ANBF-onderzoeksmarkt, 8 december 2001 Voorlopig programma

De onderzoeksmarkt zal plaatsvinden op de campus van de Université de Mons-Hainaut (avenue du Champ de Mars), in de gebouwen van de Ecole d’Interprètes Internationaux, van 9.30 tot 16.00 uur. Als sprekers hebben zich aangemeld:

1. BEERDEN, Ton / LAUWERYS, Kris (Ecole d’Interprètes Internationaux, Mons) Belgisch Nederlands in Van Dale Groot woordenboek Nederlands-Frans 3e druk 2. CALLEBAUT, Inge (Ecole d’Interprètes Internationaux, Mons / Vrije Universiteit Brussel) En dan is er … een schakeringspartikel 3. CATALANO, Valeria (Provinciale Hogeschool Limburg, Hasselt) / SUTERA, Giovanni (Haute Ecole Charlemagne, Liège) Project 103 of hoe didactiek vreemde taal en communautaire samenwerking hand in hand kunnen gaan 4. DE LAET, Frans (Institut Supérieur de Traducteurs et Interprètes, Bruxelles) Nederlands voor meertalige linguïsten: van code tot communicatie 5. GODIN, Pierre (Université Catholique de Louvain) Gramlink-Nederlands 6. HÉROGUEL, Armand (Université Charles-de-Gaulle, Roubaix) Zakelijk Nederlands: een andere benadering 7. LOUSBERG, Roland (Université de Liège) Verschillen en overeenkomsten in de visie van Duitstaligen en van Franstaligen op het Nederlands als vreemde taal 8. MAREEL, Samuel (Université Charles-de-Gaulle, Lille 3) De taal als levend organisme - bijna identieke uitdrukkingen in het Nederlands en het Frans 9. PAUPERT, Ineke (Institut Néerlandais, Paris) De werkwoorden van positie liggen, staan en zitten in de tussentaal van Franstaligen 10. PEKELDER, Jan (Université de Paris-Sorbonne, Paris IV) Didactiek en woordvolgorde I 11. PUTTEMANS, Theo (Université de Paris-Sorbonne, Paris IV) Didactiek en woordvolgorde II 12. RASIER, Laurent (Université Charles-de-Gaulle, Lille 3) De zinsaccentuering in de tussentaal van Franstalige NVT-leerders: een onderzoeksproject 13. SERENI, Sabrina (Université de Liège) Over Charlotte Mutsaers 14. VANDENBERGHE, Jan-Piet (Université de Mons-Hainaut) RTL lenigt marteling Franstalige studenten

Samenvattingen

BEERDEN, Ton / LAUWERYS, Kris (Ecole d’Interprètes Internationaux, Mons) Belgisch Nederlands in Van Dale Groot woordenboek Nederlands-Frans 3e druk

Het is voor de Belgische gebruikers van dit woordenboek - en zeker voor ieder die te maken heeft met het onderwijs van het Nederlands aan Franstaligen, misschien nuttig iets meer te horen over hoe dit woordenboek tot stand is gekomen, vooral het "Belgische" aspect ervan.

De opzet van de serie vertaalwoordenboeken van deze uitgever is altijd geweest er een serie van te maken. Deze opzet is vooral duidelijk in de identieke structurering van de informatie (het cijfer-punt-cijfersysteem) in alle woordenboeken en in de - in principe - identieke Nederlandse inhoud bij de woordenboeken waarin het Nederlands de uitgangstaal is, zowel voor de grote woordenboeken als voor de handwoordenboeken. Een van de te bereiken doelen bij het opzetten van de reeks was te kunnen beschikken over een centraal databestand Nederlands-vreemde talen, waarin iedere Nederlandse vermelding vergezeld zou gaan van een Nederlandse definitie en vertalingen in de 3 grote vreemde talen. De handwoordenboeken (en eventuele pocketwoordenboeken) zouden een keuze zijn uit dit materiaal.

Dit doel leidt ertoe dat de keuze van de Nederlandse ingangen en de beschrijving ervan niet in handen is van de redacties voor de vreemde talen, maar centraal wordt aangeleverd als een afgeleide van het woordenboek Hedendaags Nederlands. Dit geldt ook voor de keuze van wat gelabeld wordt als "Belgisch Nederlands" en als "voor België en Vlaanderen typische officiële terminologie". Dit materiaal weerspiegelt dus op het gebied van belgicismen ook de beschrijvende houding van (de redacties van) Hedendaags Nederlands.

Binnen dit kader heeft de redactie Frans als enige vrijheid contrastief interessant materiaal in het Nederlands toe te voegen en - natuurlijk - alle informatie betreffende het Frans.

Gezien de speciale rol - in de Belgische situatie - van het Frans in vergelijking met die van het Engels en het Duits, leek het ons, Kris Lauwerys en mij, toen wij het verzoek kregen ons bezig te houden met de belgicismen in de derde druk, noodzakelijk - nadrukkelijker dan in de andere woordenboeken - de aandacht van de Nederlandse en Vlaamse gebruiker te vestigen op het feit dat sommige overeenkomsten tussen beide talen specifiek zijn voor hun coëxistentie in België en andere voor het gehele Nederlandse taalgebied. Dit schept trouwens ook duidelijkheid voor het onderwijs van het Frans in Nederland. Vandaar een ruime toepassing van het label "gallicisme", zelfs als dat niet gebruikt wordt in de woordenboeken voor Engels en Duits.

Is deze houding beschrijvend of normatief?

[Terug]

CALLEBAUT, Inge (Ecole d’Interprètes Internationaux, Mons / Vrije Universiteit Brussel) En dan is er … een schakeringspartikel

Ondanks baanbrekend werk van Foolen (1993), Vandeweghe (1992), Vismans (1994), Abraham (1991), De Vriendt & Van de Craen (1986&1991), Van der Auwera (1984) is het merendeel van de partikels in het Nederlands nog niet beschreven. Dat is niet zo verwonderlijk aangezien die kleine woordjes een aantal eigenaardige karakteristieken vertonen. Die kenmerken veroorzaken aanzienlijke problemen bij het bepalen van hun specifieke betekenis(sen) en hun specifieke functie(s). Een doorsnee taalgebruiker is nauwelijks in staat de vage connotaties die vaak erg context-afhankelijk zijn te achterhalen.

Daarenboven vertonen partikels heel wat variatie en dynamiek, die we zowel synchroon als diachroon kunnen benaderen. Het partikel ’eens’ b.v. wordt al gebruikt in de zeventiende eeuw, van het partikel ’best’ kennen we geen voorkomens voor 1870, terwijl de partikelcombinatie ’best wel’ hoogstwaarschijnlijk van na de Tweede Wereldoorlog dateert. Binnen de theorievorming over grammaticaliseringprocessen (Traugott & Hopper 1993) waarbij partikels in aanmerking zouden komen voor een "eindpuntstatus" (Foolen 1993) vormen diachrone studies zelfs een essentieel onderdeel.

Het onderzoek waarover hier verslag wordt uitgebracht maakt deel uit van een groter VNC-onderzoeksproject over variatie en taalverandering in Nederland en Vlaanderen. In de eerste plaats wil het de zogenaamde schakeringspartikels (dan, nou, toch, maar, eens en even) wat diepgaander en systematischer beschrijven en daarnaast de voorkomende variatie en verandering belichten. Uitgangspunt voor de analyse is telkens een centraal begrip waarop de verschillende gebruiksmogelijkheden zijn terug te voeren. Die kernbetekenis dient ook als de basis voor het bepalen van de pragmatische-interactionele functie die schakeringspartikels op taalhandelingsvlak vervullen.

Referenties

Abraham, W. ed. 1991. Discourse particles. Amsterdam: Benjamins.

De Vriendt, S. & P. Van de Craen. 1986. Over plaatsingsmogelijkheden van schakeringspartikels. Interdisciplinair Tijdschrift voor Taal- en Tekstwetenschap 6.

De Vriendt, S., W. Vandeweghe & P. Van de Craen. 1991. Combinatorial aspects of modal particles in Dutch. Multilingua 10

Foolen, A. 1993. De betekenis van partikels. Een dokumentatie van de stand van het onderzoek met bijzondere aandacht voor maar. Nijmegen dissertatie.

Traugott E. & B. Heine. 1993. Grammaticalisation. Cambridge University Press.

Van der Auwera, J. & W. Vandeweghe, 1984. Studies over Nederlandse partikels, ed Antwerpen UIA, Antwerp papers in Linguistics 35

Vandeweghe, W. 1992. Perspectivische evaluatie in het Nederlands: de partikels van de ’al/nog/pas’-groep. Gent: Koninklijke Academie voor Taal- en Letterkunde.

Vismans, R. 1994. Modal particles in Dutch directives: a study in functional grammar. Vrije Universiteit dissertatie.

[Terug]

CATALANO, Valeria (Provinciale Hogeschool Limburg, Hasselt) / SUTERA, Giovanni (Haute Ecole Charlemagne, Liège) Project 103 of hoe didactiek vreemde taal en communautaire samenwerking hand in hand kunnen gaan

Het Project 103 is een samenwerkingsproject tussen de departementen lerarenopleiding van de Provinciale Hogeschool Limburg te Hasselt (Regentaat Frans) en van de Haute Ecole Charlemagne, Implantation des Rivageois, te Luik (Regentaat Moderne Talen - Nederlands). Deze samenwerking is al vier jaar geleden begonnen en bestaat uit twee grote luiken.

Luik 1 : Activiteitenweek

Elk jaar werken de tweede- en derdejaarsstudenten van de twee Hogescholen gedurende een week een project uit dat zij de laatste dag van de projectweek voorleggen aan en uittesten bij Waalse en Vlaamse leerlingen van het secundair onderwijs.

Dit jaar waren de Vlaamse studenten van 05 tot 09 februari in Luik te gast. Eens aan het werk heerste er een erg "Belgische" sfeer. Nederlands en Frans werden ongedwongen door elkaar gesproken. Communicatie. Wat wordt het thema? Hoe tewerk gaan? Welk materiaal gebruiken? Zelf maken? Waar is de bibliotheek? Even samen naar de stad. De vurige stad. Luik is ook zeer België. Contact en kennismaken is belangrijk. Het maakt minder angstig.

Vrijdag 9 februari stormden 130 leerlingen, Belgische leerlingen, les "Rivageois" binnen. Met hun leraars. Onze leerkrachten in spe vingen op, spraken toe, deelden in en vertrokken ieder met hun groepje naar de plaats van de actie. De ronde van Europa, want we zijn in het Europees jaar van de talen. Walen en Vlamingen leerden tellen in het Deens en in het Zweeds, proefden en beschreven Italiaanse parmaham en olijven, huppelden in een reuze(n?)ganzenbord op muziek van Paco de Lucia…

Luik 2 : Stage in de andere Gemeenschap

Voor het tweede jaar lopen de derdejaarsstudenten van onze twee Hogescholen een stage van drie weken in het secundair onderwijs van de andere Gemeenschap. Zo zijn eerst de Luikse studenten voor drie weken in Limburg stage gaan lopen. Van 23 tot 27 oktober en van 7 tot 17 november hebben ze Frans gegeven in Hasselt en Diepenbeek (Provinciale Middenschool), in Maaseik (Middenschool van het Gemeenschapsonderwijs) en in Herk-de-Stad (Ursula Instituut). De Vlaamse studenten kwamen dan van 9 tot en met 27 februari naar Waalse athenea, nl. in Visé, Montegnée en Herstal.

In totaal dus zeven weken om kennis met elkaar te maken, om zijn taal te verbeteren en om met sommige vooroordelen af te rekenen.

In onze twee Gemeenschappen heeft ons Project 103 het Lingua Label gekregen.

Voor volgend jaar werken wij aan een derde luik, dat we Assistentschap 103 genoemd hebben. Hiermee zouden wij de studenten de gelegenheid geven om maar liefst drie maanden, naar analogie van de Lingua- assistentschappen, in de andere Gemeenschap te verblijven. Enige klip die we nog moeten omzeilen is de financiering van dit project. Elke student zou over een individuele beurs mogen beschikken om de extra kosten voor vervoer, studentenkamer, culturele activiteiten enz. te dekken. De vraag is : ’Waar kunnen wij dat geld vinden?’

[Terug]

DE LAET, Frans (Institut Supérieur de Traducteurs et Interprètes, Bruxelles) Nederlands voor meertalige linguïsten: van code tot communicatie

Sinds Brussel tot hoofdstad van Europa werd uitgeroepen en de Europese Instellingen er zich kwamen vestigen, heeft het taalklimaat er een gevoelige metamorfose ondergaan. Tal van multinationale, internationale of gewoon nationale bedrijven beschouwen het tegenwoordig als een must er een onderkomen te bezitten, hoe bescheiden ook. Onnodig aan te stippen dat de commerciële context van de stad daardoor ook een totaal ander uitzicht heeft gekregen. Immers, de publiciteit, het contract, de samenwerkingsovereenkomst, de notulen … ze moeten alle ten minste in de twee "grote" Belgische landstalen worden verzorgd. Beleefdheid is het motto van de klantenbinding en daar hoort in de eerste plaats het gebruik van de juiste taal bij.

Deze situatie maakt de talenscholen - privé of officieel - tot blije kinderen. Het aanbod van lespakketten Nederlands en Frans overweldigt elke vragende partij. Van ingenieur tot poetsvrouw, van receptionist tot directeur-generaal: het Nederlands en het Frans liggen binnen eenieders handbereik, misschien net niet in de aangekondigde handomdraai. De talenindustrie draait op volle toeren en elk nieuw middel tot verbetering van de efficiency wordt gretig in huis gehaald. Buitenlanders met een voorlopig vast verblijf in Brussel: ze spreken allemaal een min of meer gevuld mondje Frans en Nederlands. Een verheugende vaststelling.

Sommige ondernemingen organiseren hun talencursussen intra muros. De voordelen laten zich raden: bedrijfsgericht onderwijs, contractueel vastgelegde en flexibele lessenschema’s, betere controle, hoger rendement. Ook de Europese Instellingen verzorgen hun eigen taallessen. Een toch wel aparte categorie van cursisten wordt er gevormd door de vertalers en tolken, in het jargon in één adem de "linguïsten" genoemd. Overeenkomstig de taalbehoeften van de divisie waartoe ze behoren, moeten deze specialisten vaak snel met een vreemde taal vertrouwd worden gemaakt, men leze operationeel worden. Het onderricht aan deze kandidaten zal derhalve rationeel worden opgevat, functioneel, gedoseerd maar met een stevig debiet: een uitdaging voor elke lesgever. Zijn programma bestaat niet uit louter taalcomponenten, maar bevat een aantal filters, zodat slechts de onontbeerlijke sleutelelementen voor een correcte analyse en een relatief comfortabel taalbegrip bewaard blijven.

Vanuit onze ervaring als taalmentor Nederlands voor de linguïsten van de Raad van Europa willen wij een reeks voorbeelden aandragen, waarmee we willen aantonen, dat ondanks de ontoepasbaarheid van een contrastieve benadering (groepen zijn immers niet zelden samengesteld uit Grieken, Finnen, Engelsen, Italianen enz.) en het vaak ontbreken van enige voorkennis van taal en cultuur als collectivum op vrij korte tijd, d.w.z. na een lesvolume van ongeveer 300 uren over 3 pedagogische jaren gespreid een vrij betrouwbare graad van doeltreffendheid in het werk uit het Nederlands kan worden geambieerd.

[Terug]

GODIN, Pierre (Université Catholique de Louvain) Gramlink-Nederlands

Met de opkomst van de notioneel-functionele aanpak midden jaren zeventig heeft de plaats van de grammatica in het VTO zwaar aan belang ingeboet. Terecht eigenlijk als je de zgn. ’communicatieve’ benadering opvat als reactie tegen de verguisde grammatica-vertaalmethode: wie zou er nu nog aan willen twijfelen dat we een taal leren om te communiceren?

Omdat de communicatieve aanpak tijdens al die jaren zo dominant aanwezig was in de didactiek van de vreemde talen, heeft het echter enige tijd geduurd voor men ging inzien dat ’wie te exclusief een communicatieve cursus had gevolgd duidelijk in een soort tussentaalfase bleef steken’ (Zie L. Beheydt, Vormgevoeligheid prikkelen in het vreemdetalen-onderwijs, Lille/Rijsel, maart 2001). Zo is stilaan de overtuiging gegroeid dat men naast aandacht voor de communicatie ook aandacht moest schenken aan de vorm. Dat de computer zich uitstekend zou lenen tot dit specifieke leren was intussen een vaststaand feit. Van computergebruik naar het gebruik van Internet was dus eigenlijk maar een klein stapje.

Sinds september 1999 loopt aan de UCL (binnen het "département d’Etudes germaniques") het zgn ’Gramlink- project’. Dit project heeft tot doel een basisgrammaticia (theorie en interactieve oefeningen) beschikbaar te stellen op het net voor Franstalige leerders van het Nederlands, het Engels en het Duits.

Gramlink-Nederlands is gegroeid uit een samenwerking tussen enerzijds academisch en wetenschappelijk personeel van de UCL en van de FNDP en anderzijds leraren Nederlands van een viertal scholen van het Franstalig secundair onderwijs. Het maakt gebruik van de bekende (en vrij beschikbare) software ’Hot Potatoes’ en heeft naast de onmisbare hulp van een website manager [M.Piwnik, leraar Engels aan het ILV (UCL)] ook op de financiële hulp kunnen rekenen van het ’Fonds de Développement Pédagogique’ van de UCL.

Eind augustus 2001 wordt het gedeelte morfologie (voorlopig) afgesloten; het project loopt dan nog door in 2001-2002 en moet tegen september 2002 verrijkt worden met een similair gedeelte ’syntaxis’.

Zie ook: http://www.ilv.ucl.ac.be/gramlink-n…

[Terug]

HÉROGUEL, Armand (Université Charles-de-Gaulle, Roubaix) Zakelijk Nederlands: een andere benadering

Een dag telt 24 uur, en derde van die tijd is de mens aan het werken, hij draagt aan het productieproces bij, een groot deel van de resterende tijd is hij consument.

In deze hoedanigheid voorziet hij in zijn behoeften. Naar het voorbeeld van de Amerikaanse econoom Maslow laten zich deze behoeften indelen in primaire behoeften, behoeften aan comfort, behoeften om zichzelf te overtreffen, enz.

Dit schema zou kunnen worden gebruikt voor het opbouwen van een cursus (taalverwerving), voor het bepalen van profielen (m. b. t. examens m.n.) en ook voor het onderzoek naar de inhoudelijke verschillen die achter de formele gelijkheid van de letterlijke vertaling schuilgaan (voorbeeld: NL lunch, FR déjeuner)

Het middel om in deze behoeften te kunnen voorzien is het geld. Daarover valt natuurlijk veel te zeggen.Dit middel wordt in de meeste gevallen verkregen door te werken als werknemer.

Vaak werkt de mens dus in een organisatie (d.i. de samenvoeging van mensen en middelen om een bepaald doel te verwezenlijken); meestal is deze organisatie een bedrijf dat drie soorten (gespreks)partners heeft, namelijk de overheid, de afnemers en de leveranciers.

In een democratie zoals we die in West-Europa kennen, zorgt deze overheid voor de toepassing van (rechts)regels die van land tot land verschillen, ook al vindt er door het toedoen van de Europese instellingen een zekere integratie plaats. Zo wordt ook gezegd dat Europa alles aan de markt heeft overgeleverd. Maar het afslanken van de verzorgingsstaat heeft de oude nachtwakerstaat niet laten terugkomen. Technologie en globalisering hebben de oprichting van nieuwe instellingen veroorzaakt en nieuwe regels teweeggebracht. De zo geprezen mededinging werd vergezeld van de komst van een Nederlandse Mededingingsautoriteit in Nederland en van wat in Vlaanderen de Raad van de Mededinging wordt genoemd, om maar een voorbeeld te noemen.

Als ze over de grenzen heen aan het handelsverkeer deelnemen, gebruiken de economische subjecten (als afnemers of als leveranciers) vaak de Engelse taal. Toch heeft men vaak vastgesteld dat de beheersing van de taal van de partner de contacten vergemakkelijkt.

Bij onderhandelingen en afspraken - maar ook soms bij overeenkomsten - lopen taal en gedrag in elkaar over.

In alle situaties die in dit kader voorkomen, is de taal een onmisbaar element en komen alle taalfuncties en -vaardigheden aan bod.

Aan de hand van concrete voorbeelden zal worden getoond wat het werkterrein van de Franstalige neerlandicus (als docent én als onderzoeker) is, hoe het verder gaat dan o.a. bedrijfcommunicatie en vakterminologie en hoe het "interculturele" erbij betrokken moet worden. Didactisch moet deze benadering op bachelorniveau algemeen zijn, op masterniveau voldoende abstract om niet afhankelijk te zijn van de schommelingen van de arbeidsmarkt.

[Terug]

LOUSBERG, Roland (Université de Liège) Verschillen en overeenkomsten in de visie van Duitstaligen en van Franstaligen op het Nederlands als vreemde taal

Als men de titel leest, ziet men dat er sprake is van verschillende talen en taalgemeenschappen, die in het kader van mijn bijdrage aan bod zullen komen. Meer bepaald zal ik de nadruk leggen op het Nederlands als vreemde taal bekeken vanuit Duitstalige en Franstalige hoek.

Zowel in Franstalig als in Duitstalig België is Nederlands in principe niet de moedertaal. Maar heeft een Franstalige dezelfde kijk op het Nederlands als een Duitstalige ? Zijn er overeenkomsten in de manier waarop de inwoners van beide taalgebieden het Nederlands als vreemde taal ervaren ? Van welke aard zijn de eventuele verschillen tussen Duitstaligen en Franstaligen ?

De bedoeling van deze bijdrage is dan ook wat nader in te gaan op sommige aspecten van de net in het licht gestelde vraagstellingen.

[Terug]

MAREEL, Samuel (Université Charles-de-Gaulle, Lille 3) De taal als levend organisme - bijna identieke uitdrukkingen in het Nederlands en het Frans

Deze bijdrage is het tweede luik van een vergelijkend onderzoek van Nederlandse en Franse gebruikelijke wendingen. In Mareel (2001) werd verslag uitgebracht over de culturele implicaties van Nederlandse en Franse wendingen. Deze voordracht gaat over bijna identieke uitdrukkingen in het Nederlands en het Frans.

Een eenvoudige blik op een tweetalig uitdrukkingenwoordenboek leert ons dat een taal, naast wendingen van eigen makelij, ook een hoop uitdrukkingen bevat die in identieke vorm eveneens in een of meer andere talen voorkomen. Tussen deze twee groepen in kan echter nog een derde type onderscheiden worden, namelijk die wendingen die zo sterk op elkaar lijken dat een onderlinge verwantschap onmiskenbaar is, maar die niettemin op een of meer punten duidelijk van elkaar verschillen. Voor het Nederlands en het Frans zijn dit bijvoorbeeld: er was geen hond - il n’y avait pas un chat, de kop van jut - la tête de Turc, of een witte raaf - un merle blanc. In deze lezing wordt gepoogd een classificatie te geven van dergelijke uitdrukkingen en wordt tevens nagegaan welke de mogelijke oorzaken zijn van deze opvallende verschillen.

Bibliografie

Mareel, S. (2001), ’De comparatieve studie van uitdrukkingen en het onderwijs Nederlands als vreemde taal’, in: Ph. Hiligsmann (red.), Het Nederlands in Frankrijk en in Franstalig België wetenschappelijk en didactisch benaderd. Handelingen van het internationale colloquium aan de Université Charles-de-Gaulle Lille 3 op 22-24 maart 2001, Lille.

[Terug]

PAUPERT, Ineke (Institut Néerlandais, Paris) De werkwoorden van positie liggen, staan en zitten in de tussentaal van Franstaligen

In dit onderzoek wordt nagegaan hoe de volwassen Franstalige leerder van het Nederlands de werkwoorden van positie liggen, staan en zitten gebruikt.

Daartoe worden de schrijfvaardigheidsexamens 1998-2000 van het Certificaat Nederlands als Vreemde Taal van Franstalige kandidaten uit België en Frankrijk geanalyseerd op de drie niveaus: Elementaire Kennis, Basiskennis en Uitgebreide Kennis.

De vraag is in hoeverre er een parallel valt te constateren tussen enerzijds deze drie kennisniveaus en anderzijds de verwerving van genoemde werkwoorden, beginnende bij een puur prototypisch gebruik (bv. je vriend staat voor de deur), via een van het prototype afgeleid gebruik (bv. de auto staat voor de deur), naar een perifeer, veelal idiomatisch, gebruik (bv. de winter staat voor de deur).

[Terug]

PEKELDER, Jan (Université de Paris-Sorbonne, Paris IV) PUTTEMANS, Theo (Université de Paris-Sorbonne, Paris IV) Didactiek en woordvolgorde I en II

Het uitgangspunt voor deze twee bijdrages is de vraag in hoeverre woordvolgorde gedidactiseerd dient te worden in het kader van een contrastief-pedagogische grammatica voor universitaire Franstalige NVT-leerders. Deze vraag genereert diverse deelvragen waarvan we er op twee nader in zullen gaan. In de eerste plaats rijst de vraag naar de types (Nederlandse) woordvolgorde. In de tweede plaats gaan we na of er correlaties bestaan tussen tussentaalverschijnselen van voornoemde populatie op drie verschillende niveaus van beheersing enerzijds en de verwerving van een aantal van deze types anderzijds.

[Terug]

RASIER, Laurent (Université Charles-de-Gaulle, Lille 3) De zinsaccentuering in de tussentaal van Franstalige NVT-leerders: een onderzoeksproject

Uit fonetisch onderzoek is gebleken dat de prosodie (woordaccent, zinsaccent, intonatie, ritme en pauzes) een erg belangrijke rol speelt in de interpretatie van uitingen (Malmberg 1971). Vooral belangrijk in het communicatieproces zijn de zogenaamde ’zinsaccenten’. Dit onderdeel van de uitspraak zou dus centraal moeten staan in een communicatieve aanpak van het NVT-onderwijs. Toch merkt men dat dit niet (of althans weinig) het geval is (Hiligsmann 1998, Rasier 2000, Hiligsmann & Rasier te verschijnen).

Dit valt wellicht te verklaren doordat de theoretische studies over de zinsaccentuering van het Nederlands meestal zeer moeilijk toepasbaar zijn in het NVT-onderwijs (Vanparys 1998, Rasier 2000). Daarbij komt nog dat er in de vakliteratuur nog steeds weinig informatie voorhanden is in verband met de zinsaccentuering in tussentalen (Appel & Vermeer 1994, Archibald 1997). Dit geldt ook voor de tussentaal van Franstalige leerders van het Nederlands.

In deze bijdrage wordt eerst een beeld geschetst van bestaande studies op dat gebied. Uitgaande van die onderzoeken en van recente beschrijvingen van de zinsaccentuering in de tussentaal (o.a. Barlow 1998) wordt vervolgens nagegaan hoe een onderzoek naar de zinsaccentuering in de tussentaal van Franstalige NVT-leerders er uit zou kunnen (of moeten) zien. Er wordt ten slotte ingegaan op het nut van zo’n onderzoek voor het onderwijs van het Nederlands als vreemde taal.

[Terug]

SERENI, Sabrina (Université de Liège) Over Charlotte Mutsaers

De titel van mijn scriptie luidde Degeen die u voor u heeft is iemand anders. Over de roman Rachels rokje van Charlotte Mutsaers. Ik heb in die scriptie eerst geprobeerd Mutsaers’ literatuuropvatting te reconstrueren. Vervolgens heb ik de roman Rachels rokje geanalyseerd, steeds met het oog op eventuele parallellen tussen Rachels rokje en Mutsaers’ literatuuropvatting. Mijn voornaamste doel daarbij was de aparte samenhang, het geweldige net of chaotisch-ordelijke raster en de ’doelgerichte grilligheid’ aan het licht te brengen die Charlotte Mutsaers niet alleen in Rachels rokje maar in haar hele oeuvre creëert. En ik moest per slot van rekening vaststellen, dat bij Mutsaers alles met alles verweven is. Mutsaers’ werk is erg complex en ambivalent en mijns inziens een interessant onderwerp voor een proefschrift.

Wat bij de lectuur van Mutsaers’ boeken dadelijk in het oog springt is, dat Mutsaers en haar personages nogal vaak in de contramine zijn. Men krijgt als lezer de indruk dat ze zich permanent tegen het één of ander moeten verzetten. Mutsaers zegt dan ook in een interview: "Ja, het ligt nogal in mijn natuur om in de verdediging te gaan". Mutsaers en haar figuren zijn altijd op hun hoede en proberen hun tegenstanders een stap voor te blijven. Een voorbeeld ter illustratie: in het derde deel van Rachels rokje moet de vertelster van het verhaal rekenschap afleggen voor een rechtbank, wat voor een roman nogal ongewoon is. De vertelster wordt daarbij voortdurend in verband gebracht met de nazi’s en van allerlei dingen beschuldigd. Ze moet zich de hele tijd verdedigen en dat geeft het derde gedeelte maar ook de rest van het boek een defensief-polemische toon. Volgens mij is het zich permanent moeten verzetten een cruciaal thema in Mutsaers’ werk. Mutsaers verdeelt haar wereld vaak in twee kampen: de vrienden en de vijanden, de lichten en de zwaren, de rekkelijken en de preciezen, etc. Wie niet partij kiest voor haar, kiest partij tegen haar. Het is alles of niets, genuanceerde tussenposities neemt ze meestal niet in. Doordat Mutsaers zich dus vaak van haar ’vijanden’ afzet of zich met haar ’vrienden’, verwante zielen (dat zijn vaak schrijvers die normaliter over het hoofd worden gezien!) identificeert, zou men kunnen beweren dat Mutsaers al schrijvende haar identiteit construeert. Het schrijven als strategie, de taal als wapen.

Om me in de problematiek van de identiteitsvorming en de identificatie te verdiepen heb ik Jacob Torfings boek New theories of discourse gelezen. Torfings boek is een soort handboek en daarom een uitstekende lectuur voor iemand die zich voor de discoursetheorieën van Laclau en Mouffe interesseert. Het zou te ver voeren hier nader op deze theorieën in te gaan, maar tijdens de lezing kan ik enkele voorbeelden aanhalen die de theorie een beetje zullen verhelderen. Volgens mij zijn de recente theorieën van Ernesto Laclau, Slavoy Zizek en Chantal Mouffe een bruikbaar referentiekader voor een analyse van Mutsaers’ oeuvre. De identificatie en vooral de verschillende manieren waarop Mutsaers al schrijvende haar identiteit vormt, lijken me een vruchtbare leidraad voor een onderzoek.

[Terug]

VANDENBERGHE, Jan-Piet (Université de Mons-Hainaut) RTL lenigt marteling Franstalige studenten

Voor de Franstalige student is de Nederlandse zinsbouw een marteling, vooral omdat de werkwoorden overal fout geparkeerd staan. Het vergt talloze moeizame uren oefening om min of meer spontaan hoofdzinnen en bijzinnen te leren verwoorden. Dikwijls blijft er daarna weinig tijd en energie over om zich nog eens te vervolmaken in het plaatsen van de verschillende bepalingen en andere constituenten. Ik pleit er dan ook voor, reeds vanaf het begin van het leerproces dit aspect centraal te stellen.

Geheugensteuntjes zijn hierbij onontbeerlijk. Men moet dan wel werken met "formules" die een Franstalige meteen kan begrijpen. Uit ervaring blijkt de formule RTL-NAV goed bruikbaar en nuttig; bovendien kan men dat onthouden als: "Qu’est-ce qu’il y a ce soir à la télé? RTL passe un NAVET." Vanzelfsprekend houdt dit geen waardeoordeel in over de programma’s van een eerbiedwaardige privéomroep. De formule kan gaandeweg verfijnd worden. Zo begint men met: Temps devant lieu, puis négation, attribut, verbe:

De kapitein is vandaag dronken. De kapitein is vandaag niet dronken. De kapitein is gisteren niet dronken geweest. Gisteren is de kapitein niet dronken geweest. Is de kapitein gisteren niet dronken geweest? Hij wil vandaag niet dronken zijn.

Dan uitbreiden tot RTxL NAV (temps, autres, lieu)

Jan kan tot zeven uur met zijn collega’s in kantoor 31 blijven werken.

En waarvoor staat R in RTL? Enkele voorbeelden:

We hebben er vanmorgen niet aan gedacht. We hebben die gisteren aan de boekhouder gegeven.

Voor T en L staan een paar "kleintjes" (riquiqui).

Uiteindelijk komt men dan tot een volledige formule:

XV1S RTxL NAAPV2 WS

WS betekent: wagon secret, maar ik verklap lekker niet, wat dat betekent.

[Terug]

[Terug]

Université de Liège Dept. de Langues et Littératures germaniques Service de Littérature néerlandaise Sabrina Sereni 3 , Place Cockerill B-4000 Liège Tél. : 04/3665370 Sabrina.Sereni@ulg.ac.be

Geachte docent Nederlands, geachte collega,

Twee jaar geleden organiseerde de ANBF (Association des Néerlandistes de Belgique francophone) voor het eerst een opstelwedstrijd voor studenten Nederlands uit het hoger onderwijs. Deze wedstrijd, die in Namen plaatsvond, bleek een groot succes. Daarom heeft de ANBF besloten om opnieuw een opstelwedstrijd te organiseren, en wel op woensdag 7 november 2001, om 14.00 uur, aan de Université de Liège (Place Cockerill 3-5, derde versieping, Salle M. Wilmotte).

Het schrijven van een opstel vormt een uitstekende gelegenheid om de aangeleerde taal in al haar facetten te hanteren. Het vereist ook creativiteit en redeneervermogen. Deze wedstrijd is daarom een voortreffelijke oefening voor wie Nederlands studeert als vreemde taal. Bovendien is de wedstrijd een prima gelegenheid om studenten van andere universiteiten of hogescholen te leren kennen.

Iedere student die niet het Nederlands als moedertaal heeft, kan deelnemen. De studenten beschikken voor het schrijven van hun opstel over maximaal vier uur en mogen woordenboeken meebrengen. Hun reiskosten worden door de ANBF ter plaatse vergoed. De jury bestaat uit drie leden, die de opstellen met het oog op de volgende criteria beoordelen: taalzuiverheid, originaliteit en argumentatie. De tien beste opstellen worden bekroond met een mooie prijs (reis, boeken…). De prijsuitreiking vindt plaats op zaterdag 8 december, op de onderzoeksmarkt van de ANBF in Mons.

De ANBF nodigt uw studenten van harte uit om naar Luik te komen en aan de wedstrijd deel te nemen. Het is niet nodig zich van te voren aan te melden. We hopen de studenten van uw instituut op 7 november talrijk te kunnen begroeten. Voor alle verdere informatie sta ik graag ter beschikking.

Met hoogachtende groet,

Sabrina Sereni Bestuurslid van de ANBF

 
 

 
 

 
Accueil     |    Syndication     |    Overzicht van de site     |    Espace rédacteurs     |    Se connecter
  Mis à jour le woensdag 10 maart 2010