ANBF - Association des néerlandistes de Belgique francophone et de France

Website over het Nederlands in het onderwijs in Franstalig België en in Frankrijk.

 
» Activiteiten van de ANBF » Oude activiteiten » Onderzoeksmarkt 2003
 
Activiteiten van de ANBF

 

Onderzoeksmarkt 2003

 

Aankondigingen ANBF

ANBF Onderzoeksmarkt 2003

Datum: 13 december. Plaats: Université de Liège, Faculté de Philosophie et Lettres, Place Cockerill 3-5, Liège.

Alle leden van de ANBF zijn hartelijk uitgenodigd op de onderzoeksmarkt, die voorafgegaan wordt door een algemene ledenvergadering. Eventuele nieuwkomers kunnen zich ter plaatse als lid inschrijven.

Deze tweejaarlijkse studiedag biedt u niet alleen de mogelijkheid kennis te maken met recent en lopend onderzoek op het gebied van de neerlandistiek, maar is ook een voortreffelijke gelegenheid om contacten te leggen of op te frissen met collega’s van andere instellingen.

Tijdens de middagpauze nodigt de ANBF u uit op een buffet in 0-riz-qi-riz, een Chinees restaurant vlakbij het universiteitsgebouw. Aan de deelname van de lunch zijn geen kosten verbonden. U wordt echter verzocht zich voor 1 december voor deze gezamenlijke maaltijd in te schrijven. Daartoe stuurt u een mailtje naar Sabrina Sereni met uw naam, voornaam, adres en e-mail adres.

Het programma ziet er als volgt uit:

9:00 u. Ontvangst met koffie (lokaal 5.6) 9:30 u. Algemene ledenvergadering (lokaal 5.11) 9:50 u. Opening van de onderzoeksmarkt (lokaal 5.11)

SESSIE 1 (lokaal 5.11)

SESSIE 2 (lokaal 5.16)

10:00u.

Rita Fenendael (Université Catholique de Louvain): Sonder Waeromme, of de alternatieve logica van de Wezenmystiek

Theo Puttemans (Université de Paris-Sorbonne): Over het formuleren van doelstellingen productieve vaardigheden voor het universitair NVT-onderwijs

10:30 u.

Pierre Geron (Facultés Universitaires Notre-Dame de la Paix): Echo’s van Bakhtins stem in de Neerlandistiek

Julien Perrez (Université catholique de Louvain): Causale, contrastieve en metadiscursieve connectieven onder de loep

11:00 u.

Sabrina Sereni (Université de Liège): ‘Rakelings als de nachtzwaluw’. Intertekstualiteit in Charlotte Mutsaers’ Rachels rokje

Brigitte Plomteux (Institut Sainte-Marie, Liège): Samengestelde woorden: een verkennende wandeling

11:30 u.

Céline Porineau (Université de Liège): Understatement in de poëzie van Herman de Coninck

Anneke Neven (Université catholique de Louvain): Een uit de hand gelopen glimlach: de rol van dieptekennis bij tekstbegrip

12:00 u.

Charles van Leeuwen (Universiteit Maastricht): De Franse inspiratiebronnen van Joost van den Vondel

Liesbeth Degand en Julien Perrez (Université catholique de Louvain) : Leerdercorpus van het Nederlands: vorm, structuur en perspectief

SESSIE 3 (lokaal 5.11)

SESSIE 4 (lokaal 5.16)

14:30 u.

An Lanssens (Katholieke Universiteit Leuven en Universiteit van Amsterdam): Het Certificaat Nederlands als Vreemde Taal: een functionele aanpak

Jan Pekelder (Université de Paris-Sorbonne): Fonction = Forme + Valeur

15:00 u.

Catherine Lesire en Roland Lousberg (Université de Liège): De perceptie van het Nederlands in Luikse basis- en middelbare scholen

Marc Miceli (Université catholique de Louvain): Stijgers en dalers in zakelijk Nederlands

15:30 u.

Line Hedebouw (Université de Liège): Nationalisme, identiteit en taal in Vlaanderen

Laurent Rasier (Université catholique de Louvain): De contrastieve studie van prosodische systemen: het geval van het Frans en het Nederlands

16:00 u.

Frans de Laet (Haute Ecole de Bruxelles): SMS-taal: nix 4U? Ev w8en aub

Philippe Hiligsmann (Université catholique de Louvain): Woordenboekgebaseerd corpusonderzoek met UNITEX

Abstracts Frans de Laet: SMS-taal : nix 4U? Ev w8en aub. (*)

Sinds mensenheugenis streeft de mens uitdrukking na : via gebaren, inscripties, rooksignalen, helaas ook via het wapen en uiteindelijk via een gesproken en/of geschreven cultuurtaal. Partner en tegenstander, vriend en vijand overtuigen van de eigen mening, dat is pas communicatie in de essentieelste zin. Gedurende eeuwen heeft hij gepoogd zijn communicatie aan te passen aan de ontwikkelingen van de techniek en de technologie : het manuscript, het drukwerk, de post, het morse, het braille… Met de voorstelling van zijn “speaking telephone” kondigt Graham Bell in 1876 de geboorte aan van de mondelinge communicatie op afstand, alweer een mijlpaal in de ontwikkeling van de telecommunicatie. Van dan af gaat het in de 20ste eeuw bijzonder snel : van telefoon via operator tot GSM, van telex over telefax tot e-mail om bij enkele populaire voorbeelden te blijven. Vandaag danken wij technici en ingenieurs voor het geleverde comfort . Vooral na de tweede wereldoorlog zal diezelfde 20ste eeuw ook gekenmerkt worden door het voortdurende streven naar tijdwinst. Het principe Time is Money domineert haast elke activiteit en die absolute voorrang voor snelheid heeft uiteraard gevolgen voor de communicatie: weg met de verfraaiingen, de overtolligheden, de franjes; plaats voor de stenografie, de dictafoon, de diagonale lectuur, de synthese… Als in de loop van de jaren ’70 het Advanced Mobile Phone System in Chicago in werking treedt, komen we terecht in een nieuw tijdperk, waarin de telecommunicatie als geheel (internet, WAP, i-mode, EMS, MMS) en de basiscomponenten telefonie (mailbox) en telegrafie (SMS) ingrijpende veranderingen ondergaan. De SMS, de Short Message Service, oogst momenteel een nooit verhoopt succes. Volgens de Association GSM werden in 2002 wereldwijd zo’n 360 miljard berichten verstuurd. Ook al mag hier van een legendarisch resultaat worden gesproken dank zij de vooruitgang, toch heeft de technologie nog beperkingen. Een SMS-bericht bevat – voorlopig – maximaal 160 karakters en dat dwingt de GSM-bezitter tot een taaleconomie die inmiddels ontstaan heeft gegeven aan een heuse SMS-taal, voor de Engelstalige het speak text, voor de Franstalige la langue texto. Aan de hand van enkele markante voorbeelden willen we in onze uiteenzetting antwoord proberen te vinden op de vragen
- Betekent het gebruik van SMS-taal een gevaar voor de beheersing van de standaardtaal?
- Kan een bericht in SMS-taal worden vertaald?
- Is uniformiteit van de SMS-taal wenselijk?

Frans DE LAET, Haute École de Bruxelles (HEB), Institut supérieur de Traducteurs et Interprètes (ISTI), fdelaet@heb.be

(*) SMS-taal : niets voor u ? Even wachten a.u.b. Rita Fenendael: Sonder Waeromme, of de alternatieve logica van de Wezenmystiek.

De uitdrukking zelf - Sonder Waeromme – is hoogst waarschijnlijk een “uitvinding” van “ons” begijnenmilieu : ze verschijnt voor het eerst onder de pen van Beatrijs van Nazareth, wordt verschillende malen gebruikt in de Mengeldichten van Hadewijch II en in Le Miroir des Ames simples van Marguerite Porète. Je komt ze ook tegen in het werk van Eckart en Ruusbroec. Ze blijft van belang in de geschriften van hun volgelingen. Zelfs in een Italiaanse Laude van Jacopone da Todi vindt men ze terug (via, lijkt het, de begardenstroming), alsook in het Leven van Catherina van Gena. Zoals blijkt, ligt de z.g. Vlaamse en Rijnlandse mystiek aan de grondslag van een waar geestelijk-cultureel Europees netwerk van beïnvloeding en verwantschap. Haar nieuwe ervaring, denkpatroon en vocabularium zullen nochtans zware tegenkanting ondervinden. Want haar interne ‘logica’ van de ‘enigheid’ druist rechtstreeks in tegen de binaire strekking die vanaf circa1250 de Westerse denkwereld in toenemende mate zal overheersen en die in ieder geval de officiële tendens zal vertegenwoordigen. Rond het begrip Sonder Waeromme ,dat we verder gaan doorlichten, zullen we proberen de strijd tussen die twee antropologische parameters verder toe te lichten, ook met verwijzingen naar tendensen van vandaag : in een alom overwegende (causaal)dualistische leefstructuur komen steeds nieuwe eenheidsgerichte reacties op. Reacties die zich bedreigd voelen en weten. En niet ten onrechte. Pierre Geron : Echo’s van Bakhtins stem in de Neerlandistiek

In zijn inleiding tot het gedachtegoed van Bakhtin ziet Tzvetan Todorov de Russische denker als de belangrijkste figuur in de literatuurwetenschap van de 20ste eeuw. Dat soort oordelen komt men wel vaker tegen. Wat maakt dan het werk van Bakhtin zo bijzonder aantrekkelijk voor de 20ste-eeuwse literatuurwetenschapper? Op die vraag zal ik ingaan maar ook op de receptie en de benutting van Bakhtins ideeën in de Nederlandstalige literatuurstudie. Een aantal onderzoekers beroept zich in hun intertekstuele analyses op Bakhtiniaanse stellingen. Aan de hand van een of meer concrete voorbeelden zal ik stilstaan bij de vraag hoe sommige van die onderzoekers Bakhtins denken aan hun specifieke behoeftes aanpassen. Philippe Hiligsmann (UCL, GERM/LIGE) & Cédrick Fairon (UCL, CENTAL) : Woordenboekgebaseerd corpusonderzoek met UNITEX

Vandaag de dag schieten corpora ten behoeve van taalkundig onderzoek als paddestoelen uit de grond. Corpora stellen taalkundigen immers in staat hun linguïstische bevindingen te staven. Twee bekende voorbeelden zijn het Corpus Gesproken Nederlands (CGN) dat gericht is op ’de aanleg van een databank van het hedendaags Standaardnederlands zoals dat wordt gesproken door volwassenen in Nederland en Vlaanderen’ (Oostdijk 2000: 280) en het CONDIV-corpus, ’een elektronisch toegankelijke, regionaal, stilistisch en diachroon gecontroleerde materiaalverzameling van ongeveer 47.000.000 woorden geschreven Nederlands, die speciaal ten behoeve van het CONDIV-project ontwikkeld werd’ (Gronde­laers e.a. 2000: 356) [1]. Om corpora te kunnen excerperen, dienen ook softwarepakketten te worden ontwik­keld. Unitex is zo’n softwarepakket. Het Open Source programma, dat op het Laboratoire d’Automatique Documentaire et Linguistique (Université de Marne-la-Vallée – Frankrijk) is ontwikkeld, maakt het dankzij de koppeling met een elektronisch woordenboek mogelijk om materiaal dat noch getagd noch geannoteerd is, toch te ontsluiten. Met het oog op corpus­onderzoek met Nederlandstalig materiaal heeft het Centre de traitement automatique du langage (CENTAL – Université catholique de Louvain) op basis van de CELEX-database zo’n elektronisch woordenboek geïmplementeerd. Tijdens de presentatie zal in de eerste plaats de methodologie van Unitex uit de doeken worden gedaan. Daarna laten we aan de hand van enkele voorbeelden zien welke onderzoeksperspectieven zo’n programma zoal biedt.

[1] CONDIV staat voor ’Lexicale variatie in het Standaardnederlands. Convergentie/divergentie en stan­daardisering/substandaardisering in Nederland en Vlaanderen’. An Lanssens: Het Certificaat Nederlands als Vreemde Taal: een functionele aanpak

Wereldwijd worden we geconfronteerd met een maatschappij die gekenmerkt wordt door een grotere mobiliteit en steeds intensievere contacten tussen culturen. Door deze toenemende mobiliteit en communicatiemogelijkheden komen meer en meer mensen in contact met andere talen en culturen. Net zoals mobiliteit geen doel op zich is, zo ook is taal geen doel op zich. Mensen gaan ergens heen met een bepaald doel voor ogen, ze willen functioneren in een bepaalde context of situatie en hebben bepaalde talige behoeften. Deze behoeften houden dan weer verband met de verwachtingen en eisen die worden gesteld in een bepaalde context of situatie waarin een individu wil of moet functioneren. Om aan te tonen dat ze in staat zijn om in de doeltaal in bepaalde situaties te kunnen functioneren, vragen mensen een certificaat. In vele gevallen wil ook de samenleving hiervan een bewijs. Het nieuwe Certificaat Nederlands als Vreemde Taal (CNaVT) wil beantwoorden aan deze functionele eisen. De relatie tussen hetgeen getest wordt en de situaties waarin iemand wil of moet functioneren, is cruciaal. Om deze relatie te garanderen werden deze situaties geanalyseerd en beschreven en werden geïntegreerde, profielgerelateerde taalvaardigheidstoetsen ontwikkeld in plaats van niveaugerelateerde deelvaardigheidstoetsen. Elk profiel vertegenwoordigt een verzameling van taalvaardigheidseisen die de samenleving stelt. Welke profielen kunnen worden onderscheiden? Op welke taalgebruikssituaties hebben deze profielen betrekking? Wat zijn de taalvaardigheidseisen voor elk van deze profielen en hoe worden deze beschreven? Wat is de relatie met het Europees Gemeenschappelijk Referentiekader (CEF)? Wat zijn de consequenties van deze nieuwe Certificaatsstructuur voor het Nederlands als Vreemde Taal voor kandidaten en docenten? Al deze vragen zullen aan bod komen in deze presentatie.

Certificaat Nederlands als Vreemde Taal, Blijde Inkomststraat 7, B-3000 Leuven, België, tel: +32 (0) 16 32 55 16, fax: +32 (0) 16 32 55 12, cnavt@arts.kuleuven.ac.be, www.cnavt.org Katholieke Universiteit Leuven, Centrum voor Taal en Migratie (CTM), Blijde-Inkomststraat 7, B-3000 Leuven , België Universiteit van Amsterdam, Leerstoelgroep Tweedetaalverwerving (TTV), Spuistraat 134 (PC Hoofthuis), NL-1012 VB Amsterdam, Nederland Catherine Lesire & Roland Lousberg : De perceptie van het Nederlands in Luikse basis- en middelbare scholen

In het kader van de bijdrage zal de perceptie van het Nederlands in Luikse basis- en middelbare scholen besproken worden, op basis van de licentiaatsverhandeling van één van de auteurs (C. Lesire). Het doel was te weten te komen wat de Luikse leerlingen denken over het Nederlands en over degenen die die taal spreken. Ook hun ouders zijn ondervraagd om te achterhalen of ze de kennis van het Nederlands belangrijk vinden voor hun kinderen. Wat de leerlingen betreft, blijkt b.v. uit de resultaten dat ze over het algemeen het nut van de school beseffen. Ook kan worden vastgesteld dat ze wel meertalig willen worden, maar niet zo enthousiast zijn om Nederlands te leren. Verder kan worden gezegd dat de leerlingen doorgaans waarschijnlijk weinig contact hebben (gehad) met Nederlandstaligen. Uit de resultaten van de ouders blijkt o.m. dat deze laatsten denken dat de kennis van het Nederlands belangrijk is voor hun kind, al spreken slechts enkele ouders Nederlands met hun kind. Over het algemeen zijn de ouders niet tevreden over het huidige onderwijssysteem en -programma: de leerlingen zouden meer uren Nederlands en meer in het algemeen meer taallessen moeten hebben. Ook zijn ze van mening dat tweetaligheid in België voordelig zou zijn voor goede relaties tussen Vlamingen en Walen. De bedoeling van deze bijdrage is dan ook wat nader in te gaan op sommige aspecten van de onder andere net in het licht gestelde resultaten. Marc Miceli: Stijgers en dalers in zakelijk Nederlands

Deze bijdrage kadert in het Project Leerwoordenboek Zakelijk Nederlands dat momenteel aan de Université Catholique de Louvain loopt. Het project, dat een samenwerkingsverband is tussen de UCL, de Université Charles-de-Gaulle Lille 3 en de VU (Amsterdam), heeft tot doel de leerders vertrouwd te maken met de taal van de zakelijke wereld. De voornaamste kenmerken van het woordenboek zijn de zinsdefinities, die aan de hand van een basiswoordenschat worden geschreven, en de ruime aandacht die wordt besteed aan collocaties en vaak voorkomende woordcombinaties. (cf. Héroguel A., Martin W., Hiligsmann Ph., Miceli M., Le néerlandais des affaires et l’exemple du vocabulaire de l’argent, [Université Charles-de-Gaulle Lille 3, juin 2003] en Hiligsmann Ph., Héroguel A., Martin W., Miceli M., Het Leerwoordenboek zakelijk Nederlands, [IVN Colloquium, augustus 2003]. In deze bijdrage zou ik in willen gaan op een lexicologisch aspect waar Franstalige leerders van het Nederlands vaak moeilijkheden mee hebben, nl. hoe druk je in het Nederlands uit dat bepaalde zakelijke termen (zoals ‘prijzen’, ‘kosten’, ‘productiviteit’ bv.) al dan niet stijgen, of dalen. Als uitgangspunt voor deze presentatie geldt Verlinde, S. 1995, La combinatoire du vocabulaire des fluctuations dans le discours économique, Cahiers de lexicologie, 66,1995-1, pp.137-176. Het belangrijkste doel van deze bijdrage is inzicht te verschaffen in het semantisch veld van het schommelen van financiële en economische variabelen: deze studie zal dus de gebruiksverschillen van bepaalde bijna-synoniemen (bv. ‘stijging’, ‘toename’, ‘vermeerdering’, ‘verhoging’) in combinatie met financieel-economische variabelen proberen te verduidelijken. Er zal verder ook aandacht worden besteed aan de lexicografische en pedagogische gevolgen van deze studie voor het Leerwoordenboek zakelijk Nederlands: hoe moeten de resultaten verwerkt worden om de aandacht van de leerders op dit probleem te vestigen? An Neven: Een uit de hand gelopen glimlach: de rol van dieptekennis bij tekstbegrip

Ondanks het ontbreken van een algemeen aanvaard construct voor het begrip “tekstbegrip”, staat vast dat woordenschatkennis er een onmisbare component van vormt. Verschillende studies hebben al aangetoond dat er een verband bestaat tussen woordenschatkennis en tekstbegrip (cf. Haquebord 1992, Hazenberg 1994, Qian 1999…). Voor de anderstalige lezer staat het gebrek aan woordenschat vaak het tekstbegrip in de weg. Het merendeel van de onderzoeken zoekt uit hoeveel woorden bekend moeten zijn om een redelijk tekstbegrip te verzekeren. Of naast de breedtekennis –het aantal bekende woorden- ook de dieptekennis –de kwaliteit van die woordkennis- hier een rol speelt, is tot nu toe minder onderzocht. In ons onderzoek richten wij ons op dat kwalitatieve aspect van de woordenschat. We gaan na welke meerwaarde de kennis van de relaties in het mentale lexicon kan opleveren voor het begrijpen van tekst. De prototypische betekenis die voor de anderstalige meestal uit een één-op-één-relatie bestaat met bijvoorbeeld een vertaling, geeft namelijk niet alle facetten van een woord weer. De vreemdetaalleerder wordt in een tekst immers geconfronteerd met een woord waarvan, onder invloed van de omringende woorden, slechts één of enkele facetten belicht worden (Reichling). Hierdoor kan de conceptuele betekenis van het woord vervagen en kan bijvoorbeeld de figuurlijke betekenis de bovenhand krijgen. Daarom wordt onderzocht hoe belangrijk de kennis van het associatieve netwerk van betekenissen (associaties, polysemie, homonymie, synonymie, metaforie) is voor de juiste interpretatie van woorden die in een willekeurige tekst opduiken, net als de collocaties en hun syntactische en morfologische gedrag. Aan de hand van het volgende eenvoudige tienergedichtje kunnen we illustreren dat breedtekennis niet volstaat om te vatten wat de verteller bedoelt.

je glimlach met die streepjes soms loopt hij uit de hand helemaal over je gezicht tot in de verste uithoeken en gaat tronen in je ogen waar ik al zit. (Ed Frank, Liefde in vijf bewegingen)

De tekstdekking met het Elementair woordenboek (Beheydt, de 1000 nuttigste woorden van het Nederlands) mag dan wel 90% bedragen, het metaforische gebruik van de woorden maakt het voor de anderstalige lezer heel wat minder toegankelijk. De gepersonifieerde ‘glimlach’ als metafoor voor de stralende verliefdheid, die als een streep op een papier over ‘jouw gezicht’ ‘loopt’, gaat heersen in ‘je ogen’. Bovendien wordt de betekenis van ‘soms loopt hij’ ingeperkt door de volgende regel ‘uit de hand’ die een collocatie vormt met ‘lopen’. Daardoor krijgt het denotatieve ‘rennen’ plotseling een connotatieve wending naar het diepere ‘ongecontroleerd’. Om de rol van de dieptekennis in het leesproces verder te ontleden, worden Franstalige studenten Nederlands getest op hun kennis van semantische, collocationele, morfologische en syntactische aspecten die ze al dan niet in hun mentale lexicon hebben opgeslagen. De resultaten hiervan zullen nadien vergeleken worden met hun resultaten op een aantal strategische leestoetsen. Die leestoetsen zullen gebaseerd worden op drie soorten teksten die het scala van gebruikelijke teksten voor Franstalige studenten zouden moeten dekken: academische teksten, populair-wetenschappelijke teksten en ontspannende kortverhalen. De teksten worden geselecteerd op basis van woordenlijsten en erin voorkomende diepte-aspecten. Jan Pekelder: Fonction = Forme + Valeur

Cette contribution - de nature méthodologique - sera consacrée à l’examen du terme ‘fonction’. Il est fréquemment admis que celui-ci désigne le rôle que joue une forme dans l’énoncé, ‘fonction’ se confondant avec ‘valeur d’une forme’. Nous nous efforcerons de montrer que cette vision procède d’une simplification méthodologique dans la mesure où ‘fonction’ et ‘valeur’ ne recouvrent pas les mêmes concepts. Nous tenterons de démontrer que la reconstitution par le chercheur d’une fonction langagière, qu’elle soit de nature linguistique, iconique ou pragmatique, passe, tout au contraire, par une double problématisation: celle de la valeur et celle de la forme. Julien Perrez: Causale, contrastieve en metadiscursieve connectieven onder de loep

In ons onderzoek naar causale, contrastieve en metadiscursieve connectieven wordt voornamelijk gefocust op contrastieve aspecten van het leerproces van het Nederlands door Franstalige leerders. Het is de bedoeling om aan de ene kant de impact van connectieven op tekstbegrip te meten en aan de andere kant hun gebruik in leerdersproducties te bestuderen. In de presentatie zullen vooral theoretische aspecten behandeld worden die ten grondslag liggen aan de studie van connectieven. In de literatuur worden connectieven omschreven als talige middelen die een coherentierelatie tussen tekstsegmenten expliciet markeren. Eensgezindheid bestaat er echter niet over de semantische en pragmatische waarde van diezelfde coherentierelaties en hun markeringen. In de presentatie zal eerst ingegaan worden op terminologische aspecten, waardoor het duidelijk zal worden wat er bedoeld wordt met causale, contrastieve en metadiscursieve connectieven. Dan zullen de verschillende factoren beschreven worden die een rol spelen in de selectie van de markeerders die voor het onderzoek in aanmerking komen. Uiteindelijk zal de nadruk worden gelegd op het ontwikkelen van een theoretisch kader dat discrimineert tussen de soms zeer subtiele nuances die er bestaan tussen de connectieven binnen dezelfde categorieën. Julien Perrez & Liesbeth Degand: Leerdercorpus van het Nederlands: vorm, structuur en perspectief

In het kader van ons onderzoek gaat onze interesse uit naar de structurering van tekst en de markering ervan in moedertaal en tweede taal. Daarbij willen we bijzondere aandacht besteden aan het gebruik van causale, contrastieve en metadiscursieve connectieven door Franstalige leerders van het Nederlands. Omdat we voor de studie hiervan een verzameling ‘natuurlijke’ leerdertaal nodig hebben, zijn we begonnen met de aanleg van een leerdercorpus van het Nederlands. De vorm en samenstelling van dit corpus zijn natuurlijk sterk afhankelijk van de oorspronkelijke bedoeling waarvoor het is aangelegd maar dat neemt echter niet weg dat het corpus ook voor andere doeleinden gebruikt kan worden. Zo is het bijvoorbeeld mogelijk om verschillende subcorpora samen te stellen en daardoor het basiscorpus aan te vullen naargelang het onderzoek dat verricht moet worden. Het corpus biedt dus de gelegenheid breed te worden gebruikt in de (Franstalige) Neerlandistiek. De structuur van het corpus, en in het bijzonder de verschillende variabelen waarmee wij rekening hebben gehouden in de opbouw ervan zullen in de presentatie verder worden toegelicht (zie Perrez & Degand 2003). In het kader van ons onderzoek moet dat corpus beschouwd worden als een input die de eerste tendensen van connectiefgebruik door leerders van het Nederlands zal aanwijzen. Het is de bedoeling dat deze tendensen vervolgens nader bestudeerd worden in experimenten waarin tweede taal-teksten vergeleken worden met teksten van dezelfde leerders in hun moedertaal (zie Perrez & Degand 2003, Kubota 1998). In de presentatie zullen de resultaten van de eerste analyses van het corpus besproken worden.

Bibliografie Kubota, R. (1998), An investigation of L1-L2 transfer in writing among Japanese university students: implications for contrastive rhetoric. In Journal of Second Language Writing 7 (1), blz. 69-100. Perrez J. & L. Degand (2003), On the combination of corpus-based and experimental methodologies in the study of causal, contrastive and metadiscourse connectives in L1 and L2 text comprehension and production. In Proceedings of the Corpus Linguistics 2003 Conference, Lancaster, blz. 627-636. Brigitte Plomteux: Samengestelde woorden: een verkennende wandeling

Inleiding en rechtvaardiging Een van de kenmerken van de structuur van de Nederlandse woordenschat is ongetwijfeld de schier onbegrensde mogelijkheid tot het vormen van samenstellingen en afleidingen. De voorgaande zin telt er al acht op een totaal van 24 woorden, één op drie dus. In het onderwijs van het Nederlands aan anderstaligen lijkt het dus niet alleen aangewezen maar zelfs noodzakelijk om daar de nodige aandacht aan te besteden. En die aandacht moet mijns inziens niet beperkt blijven tot het vaak besproken probleem van de tussenklank, maar worden uitgebreid tot een meer betekenisgerichte benadering van het fenomeen, met aangepaste oefeningen die het mogelijk moeten maken dat een theoretische kennis zoveel mogelijk in de praktijk wordt benut. Wat leren ons de schoolgrammatica’s en woordenschatboeken? Een uitzondering niet te na gesproken beperken de schoolgrammatica’s zich meestal tot – en dat is vrij logisch – het grammaticale aspect van samenstellingen: genus en meervoud, tussenklank, volgorde van de elementen. Woordenschatboeken concentreren zich meer op afleidingen met pre- en suffixen. Wat leert ons de pers? Sigarenroker Bill Clinton, taartengooier Noël Godin, sterrenplukker Pierre Wynants: nieuwe samenstellingen, of reeds bestaande woorden in een nieuwe betekenis. Het creatieve gebruik van een systeem dat heel productief blijkt. Welke mogelijkheden tot samenstelling bestaan er? In dit deel wil ik aan de hand van zoveel mogelijk voorbeelden proberen samengestelde woorden op basis van gemeenschappelijke kenmerken te klasseren. Substantieven Persoonsnamen
- lijdend voorwerp + werkwoordstam + -er: opdrachtgever, klokkenluider, kaartjesknipper
- andere combinaties: schuinsmarcheerder, koploper, zwartkijker, jaknikker Andere Springplank, suikerziekte, tandvlees: drie voorbeelden van woorden waarvan de betekenis in het woord zelf schuilt – of integendeel: uiterst duidelijk is! Maar is de student er zich wel van bewust dat Nederlandse woordenschat zó gemakkelijk is… of kan zijn? Adjectieven Vergelijkende vormen Deze vormen, van het type schatrijk, eivol, straatarm e.d. zijn al vaker bestudeerd en beschreven, maar zijn toch het vermelden meer dan waard in het kader van deze verkenning. Onvoltooide deelwoorden
- Er is een tamelijk groot aantal samenstellingen met als laatste element -(ver)wekkend of -makend bijvoorbeeld.
- Samenstellingen van de vorm "lijdend voorwerp + onvoltooid deelwoord" komen ook heel vaak voor (doeltreffend, concurrentieverstorend, levensbedreigend
- Lichaamsdelen worden vaak gebruikt als eerste deel van onvoltooide deelwoorden die meestal als adjectief worden gebruikt: oorverdovend, tandenknarsend, hartverscheurend Grensgevallen en valkuilen
- Een sterverkoper verkoopt geen ster(ren)
- Vezelrijke voeding is niet "zo rijk als een vezel" Zoals altijd (…) leidt veralgemenen tot het foute aanwenden van een regel. Het is dus opletten geblazen. Mogelijke oefeningen Type oefening Doel Vind in de gegeven lijst een synoniem voor volgende woorden: pessimist ® zwartkijker kannibaal menseneter Studenten tonen dat de betekenis van het woord evident is vanwege de elementen die het samenstellen Vind in de gegeven lijst het woord dat aan de definitie beantwoordt iemand die beslissingen kan nemen ® machthebber idem Vul de zin in met het passende woord, kies uit de lijst.
- Jan ziet altijd de negatieve aspecten van een zaak.
- Ja, hij is een echte ® zwartkijker Herformuleren is een zeer natuurlijke en spontane manier om te tonen dat je akkoord gaat met wat gezegd werd. Zo’n oefening kan daar de nadruk op leggen en de studenten leren zich spontaner uit te drukken. Voeg twee elementen samen en vul elke zin in met een van de gevormde woorden. Studenten bewust maken van de "samenstellende mogelijkheden" van het Nederlands. NB deze oefening is zowel geschikt voor substantieven als voor adjectieven (vergelijkingen of als adjectief gebruikte onvoltooide deelwoorden met een eerste element). Gebruik het juiste woord in de gepaste zin. (oefening over woorden van het type springplank, suikerziekte, tandvlees) Studenten tonen dat ze ook woorden die ze (naar alle waarschijnlijkheid) niet kennen, toch kunnen herkennen en correct gebruiken.

Enz!

Conclusie

Mijn ervaring heeft mij geleerd dat studenten attent maken op samenstellingen, en deze ook gericht inoefenen, alleen maar positieve gevolgen heeft voor het verwerven van het Nederlands. Ten eerste worden ze minder afgeschrikt door de lange woorden die het Nederlands rijk is en kunnen ze die gemakkelijker onthouden als ze begrijpen hoe ze samengesteld worden. Hun leesvaardigheid wordt er ook alleen maar beter van, onder andere omdat ze minder geneigd zijn naar het woordenboek te grijpen om er een woord in op te zoeken dat ze sowieso misschien niet zullen vinden. Daar in samengestelde woorden het belangrijkste, betekenisgevende element aan het einde van de samenstelling staat, levert het oefenen van dit type woorden bovendien een zijvoordeel op in de algemene verwerving van de structuur van het Nederlands en krijgt het geheel zonodig een nog logischer aspect. En last but not least: tonen dat het Nederlands een rijke, creatieve taal is met een zekere zin voor humor kan zeker bijdragen tot een positievere ingesteldheid van de leerders, wat zich dan (bijna…) automatisch omzet in betere resultaten. Theo Puttemans: Over het formuleren van doelstellingen productieve vaardigheden voor het universitair NVT-onderwijs

In deze lezing wil ik de vraag beantwoorden welke hulpmiddelen ons inziens ingezet moeten worden bij het formuleren van doelstellingen productieve vaardigheden voor het universitair NVT-onderwijs. Ik neem als voorbeeld de driejarige opleiding schrijf- en spreekvaardigheid Nederlands als Vreemde Taal aan de universiteit Paris IV-Sorbonne. In mijn bespreking beperk ik me tot drie in de NVT-didactiek bekende hulpmiddelen : ten eerste de ’Algemene taxonomie van verbale communicatie’ (Beersmans et al. 1983:11-13), die gekoppeld is aan het ’Certificaat Nederlands als Vreemde Taal-oude versie’, ten tweede het ’Certificaat Nederlands als Vreemde Taal-nieuwe versie’, het CNaVT en ten derde het Common European Framework of Reference for Languages [het Gemeenschappelijk Europees Referentiekader] (Council of Europe 2000), het CEF. Ik toon aan dat het CNaVT onbruikbaar is voor het gestelde doel. De ’Algemene Taxonomie’ van het CNVT en het CEF daarentegen komen als hulpmiddel in aanmerking. Laurent Rasier: De contrastieve studie van prosodische systemen: het geval van het Frans en het Nederlands

In mondelinge interacties beschikken sprekers over een verscheidenheid aan linguïstische (m.n. syntactische en/of lexicale) en fonetische (m.n. prosodische) middelen om de informatiestructuur van hun boodschap duidelijk te maken (Van Donzel 1999). De mate waarin de verschillende procédés gebruikt worden, verschilt echter van taal tot taal (Hirst & Di Cristo 1998). Wat het Frans en het Nederlands betreft, hebben Sleeman e.a. (2000) enkele syntactische constructies – die in de twee talen voorkomen – met elkaar vergeleken met het oog op hun structurele én informatieve eigenschappen. Er werd evenwel niet ingegaan op de prosodie. In deze bijdrage wordt onderzocht welke prosodische vormen er in het Frans en in het Nederlands bestaan en hoe die bijdragen tot het markeren en het waarnemen van de informatiestructuur van gesproken taaluitingen. Deze contrastieve studie heeft theoretische én didactische implicaties. Daar wordt in het laatste deel van de presentatie nader op ingegaan.

Bibliografie: Donzel, M. van (1999), Prosodic aspects of information structure in discourse, Den Haag: Holland Academic Graphics. Hirst, D. & Di Cristo, A. (1998), Intonation systems. A survey of twenty languages, Cambridge: Cambridge University Press. Sleeman, P., Verheugd, E. & Vlugter, B. (2000), ‘Informatiestructuur en syntaxis: overeenkomsten en verschillen tussen Nederlands en Frans’, in: Leuvense Bijdragen, 89, 289-304. Sabrina Sereni: ‘Rakelings als de nachtzwaluw’. Intertekstualiteit in Charlotte Mutsaers’ Rachels rokje

Wie Charlotte Mutsaers’ Rachels rokje (1994) leest, zal snel opmerken dat in deze roman naar talrijke andere teksten wordt verwezen. Zo ruisen onder meer Flauberts Madame Bovary, Kleists Penthesilea, Kafka’s muis Josefine en André Bretons Nadja door het Nederlandse boek. In mijn lezing zal ik de roman Rachels rokje vanuit een intertekstueel perspectief benaderen en analyseren. Bij mijn intertekstuele lezing ga ik onder meer uit van Mutsaers’ eigen expliciet verwoorde literatuuropvatting. In haar essaybundel Paardejam (1996) heeft Mutsaers het poëticale stuk ‘Zo steels als een zwaluw’ opgenomen waarin zij een aantal ideeën over intertekstualiteit uiteenzet. Zo stelt Mutsaers onder meer dat schrijvers niet vanuit het niets schrijven maar dat ze de werkelijkheid als het ware plunderen (1996: 148): Wat doet de schrijver met zijn buit? Die bergt hij op in de koffer van de dievenkoningin. Zodra hij aandrang voelt om zijn zwaarte in een boek te ontledigen, maakt hij die koffer open. Daarin is inmiddels alles wat hij gezien, gehoord, geroken, gevoeld of gelezen heeft schots en scheef door elkaar geraakt, maar dat geeft niet, want het gaat hem niet om anekdotes maar om de onzichtbare factor die al die flarden en brokstukken bij elkaar houdt en verbindt: zijn waarheid. En vanuit díe waarheid ontstaat de verbeelding (1996: 149). Uit deze en soortgelijke passages in Mutsaers’ werk kan men afleiden dat een schrijver in haar ogen veel wegheeft van een dief. Vandaar dat Mutsaers de ambitie koestert zo ‘steels’ mogelijk te schrijven. Dit steelse element heeft natuurlijk ook ‘iets zijdelings, iets geheimzinnigs, iets verborgens, iets opwindends, iets erotisch bijna’ (Mutsaers 1996:149). Van belang daarbij is niet zozeer uit welke bronnen de schrijver put maar wel de bijzondere manier waarop bestaande teksten in de eigen literaire productie worden opgenomen en tijdens dit proces van extra betekenis worden voorzien. In mijn lezing wil ik aantonen hoe Mutsaers in Rachels rokje allerlei andere rokjes uit ‘de klerenkast van de wereldliteratuur’ (1994:129) met haar tekst verweeft. Vanuit die uitgangssituatie ga ik kort in op de heterogene teksten waaruit Mutsaers citeert of waarop ze alludeert. Het woord ‘tekst’ dient hier trouwens zo breed mogelijk geïnterpreteerd te worden: films, schilderijen, beeldhouwwerken en muziekstukken zijn evengoed teksten, net zoals bijvoorbeeld het ‘récit’ van de Tweede Wereldoorlog. De verschillende manieren waarop Mutsaers in Rachels rokje met de interteksten speelt, staan in mijn lezing centraal. Zo zal ik nagaan of Mutsaers expliciete ‘markers’ hanteert of niet. (Met ‘markers’ bedoel ik indicatoren die duidelijk maken dat het om een intertekst gaat zoals bijvoorbeeld aanhalingstekens). Vervolgens onderzoek ik een aantal specifieke functies die aan de interteksten worden toegekend. Mutsaers zinspeelt soms op een tekst om aldus het gehanteerde genre te bekritiseren, te parodiëren (destructieve functie), maar soms ook om op zijdelingse manier haar literatuuropvatting te verwoorden. Door teksten van andere auteurs aan te halen, kan zij duidelijk maken wat voor teksten volgens haar tot het ‘echte’ literaire domein behoren, welke niet en waarom. Zo levert ze de lezer ook een indirecte handleiding aan voor het lezen van Rachels rokje. In mijn lezing onderzoek ik op welke manier de talrijke teksten die in Rachels rokje doorklinken een creatieve ‘Gegenwelt’ evoceren die diametraal tegenover de nuchtere, pragmatische wereld staat van de rechters die Rachel verhoren in het laatste gedeelte van het boek. Om aan de voorafgaande lezing van Pierre Geron over Bachtin aan te knopen, zal ik ook pogen aan te wijzen in hoeverre Rachels rokje voldoet aan de criteria van een dialogische tekst. Aan de intratekstuele allusies waarmee Mutsaers verwijst naar haar vroegere geschriften wordt ook aandacht besteed. Tot slot wil ik aan de hand van enkele gedetailleerde tekstanalyses concreet laten zien hoe Mutsaers door intertekstuele echo’s extra betekenissen weet te creëren. Charles Van Leeuwen: De Franse inspiratiebronnen van Joost van den Vondel

Busken Huet vroeg in 1882 in Het land van Rembrandt aandacht voor het feit, dat veel Nederlandse renaissancedichters zich lieten inspireren door Franse collega’s. Dat was in die tijd niet alleen een vrolijke provocatie, maar ook een wat snelle constatering: de erudiete Huet gaf namelijk wel een paar suggesties, maar kon zijn bewering eigenlijk niet onderbouwen. Hij liet het aan collega neerlandici over om het plaatje verder in te vullen. In de decennia die volgden, werden inderdaad nogal wat studies aan deze problematiek gewijd: voor auteurs als Coornhert, Van Mander, Spiegel, Roemers Visser, Bredero en Hooft bleken de Fransen vaak model te staan. Voor wat betreft Vondel leverden de filologische vorsingen ook veel resultaat op: niet alleen had Vondel in zijn jonge jaren werk uit het Frans vertaald, ook liet hij zich inspireren door Franse dichters en theaterschrijvers, gebruikte hij Franse vertalingen van Griekse, Latijnse en Italiaanse auteurs en verwerkte hij in zijn werk een aantal thema’s uit de Franse actualiteit, zoals de moord op Henri IV. Aanvankelijk volgde hij het spoor van (Frans georiënteerde) rederijkerskamers en leerde hij het werk kennen van onder meer Marot. Ook liet hij zich leiden door toonaangevende geesten in het protestantse veld, met name de dichter Du Bartas. In rijpere jaren nam hij ook kennis van de Franse modes in de poëzie, zoals naast Bartas het werk van de Pléiade-dichters en andere Franse petrarkisten, en volgde hij het Franse classicistische theater na in zijn eigen drama. Ook zijn latere beschouwend proza dient deels gezien te worden als ingegeven door Franse voorbeelden. Kortom: voor het begrip van Vondels werk is de Franse inspiratie een betekenisvol perspectief. De grootheid van Vondel is deels te verklaren vanuit een succesvolle navolging van de Europese, in het bijzonder Franse literatuur van renaissance en barok. In deze voordracht zou ik een actueel beeld willen geven van Vondel als francofiel. Met als eerste doel, om de eigentijdse onderzoeker wegwijs te maken in de omvangrijke, meer dan een eeuw omvattende secundaire literatuur op dit gebied, van stoffige negentiende-eeuwse proefschriften tot vergeten overzichtswerken en vrijwel onvindbare tijdschriftartikelen. De studies die na Huet en Thijm zijn verschenen, zoals van Kalff, Loosen, Hendrix, Ypes, Verwey, Van Duinkerken, Molkenboer, Smit, Brachin en Thys, behandelen de vraag vaak vanuit een specifiek gezichtspunt. Het is mijn mening dat de vraag naar de Franse bronnen niet kan worden losgezien van de vraag naar Vondels bronnen in het algemeen, dus ook de Italiaanse, klassieke, bijbelse en Nederlandse bronnen die hij gebruikte. En om een juist oordeel te geven over de francofiel Vondel, is enige vergelijking met andere auteurs op zijn plaats: was Vondel meer op Frankrijk gericht dan tijdgenoten, legde hij misschien andere accenten? Voor in het Franse taalgebied werkzame neerlandici is het relevant om een precies inzicht te krijgen in het hoe, wat, waaruit, waarom en hoever van Vondels Franse lezerij.

Talencentrum Universiteit Maastricht, Sint Servaasklooster 39, 6211 TE Maastricht, tel. +31.43.3883950 direct +31.43.388251, e-mail: Charles.vanLeeuwen@languages.unimaas.nl, , www.languages.unimaas.nl www.unimaas.nl/icl: Congres in Maastricht: Integrating Content and Language in Higher Education, October 2003, postadres: Postbus 610, 6200 MD Maastricht

Links ANBF

» Taal verwerving » Vertalen & Woordenboeken » Literatuur » Interculturaliteit » Didactiek & Talenonderwijs

Leermiddelen ANBF

» Taal verwerving » Vertalen & Woordenboeken » Literatuur » Interculturaliteit » Didactiek & Talenonderwijs » Digitale leermiddelen NVT

Over de ANBF

» Het archief » De doelstelling » Het bestuur » De oude aankondigingen » N/F

anbf

 
 

 
 

 
Accueil     |    Syndication     |    Overzicht van de site     |    Espace rédacteurs     |    Se connecter
  Mis à jour le vrijdag 30 juli 2010